Terugblik op TOM: ‘Wie niks doet, kan ook niks verkeerd doen’

Thuis op Maat Instroomvoorkomend stopt eind dit jaar in de huidige vorm. Andres Peña Rivera blikt terug. Nuchter, met oog voor wat beter moet en met duidelijke lessen voor wat hierna komt. “We hebben met elkaar lef getoond.”

Het idee van Thuis op Maat (TOM): aanbieders veel vrijheid geven om met jeugdigen en hun gezinnen zo intensief en effectief aan de slag te gaan zodat jeugdhulp met verblijf wordt voorkomen. “Dat vroeg vertrouwen. En het geldt als een stevige, relatief dure, inzet om zwaardere zorg te voorkomen.”

Hoogespannen verwachtingen

Daar stond volgens de projectleider TOM tegenover dat juist vanwege die hoge kosten de verwachtingen hooggespannen waren. Bij de start is er een duidelijke doelstelling gekozen. Andres: “We hebben vooraf met elkaar gezegd: TOM heeft alleen zin als het in het overgrote deel van de trajecten helpt om verblijf te voorkomen. Dat is een logische gedachte, maar het maakt de beoordeling ook snel zwartwit. Ook als een plaatsing uiteindelijk toch nodig was, kan TOM escalaties thuis hebben afgeremd en stabiliteit hebben gebracht, met als gevolg een minder intensieve opname, bijvoorbeeld drie dagen in plaats van zeven. Dan is het te simpel om te zeggen: het was geen succes. Het zegt ook iets over de vraag of onze zogeheten kritieke prestatie-indicatoren (KPI’s), die aangeven hoe effectief de doelstellingen van TOM worden behaald, die we vooraf maakten, passen bij wat we willen bereiken.”

Afspraken niet strak genoeg gevolgd

Het uitgevoerde onderzoek leidt volgens Andres tot enkele verklaringen. “We hadden afspraken gemaakt over hoe TOM start. Denk aan een verklarende analyse en consultatie door het RET. In de praktijk gebeurde dat niet consequent. Daardoor startten trajecten niet altijd met dezelfde basis en misten we ook leerinformatie: waarom werkt het bij het ene gezin wel en bij het andere niet?” Dat werkte door in de rest van het traject. “Als de start niet strak is, dan wordt het lastiger om samen scherp te blijven op doelen, voortgang en bijsturen. Dan ontstaat er later sneller discussie, terwijl je juist tijdens het traject wil kunnen sturen.”

Zicht op de uitvoering bleef te beperkt

Gaandeweg was er te weinig zicht op wat er precies gebeurde in de trajecten. “Je kunt zeggen: de regio zat er niet stevig genoeg bovenop. Je kunt ook zeggen: aanbieders maakten het niet altijd inzichtelijk genoeg. In de praktijk speelde het waarschijnlijk allebei. En dat is precies waarom je duidelijke kaders nodig hebt die niet verstikkend zijn, maar wel helpen om samen dezelfde taal te spreken.” Ook de betrokkenheid in de uitvoering was wisselend. “Er waren veel aanbieders gecontracteerd, maar een deel is uiteindelijk niet echt gestart. Dat is zonde, want TOM vraagt juist een gezamenlijke beweging en een gedeelde manier van werken.”

Bekostiging sluit niet aan op werkwijze

Volgens Andres raakt de discussie over succes direct aan de bekostiging. “TOM is per definitie flexibel. De ene week is rustig, de andere week is intensief. Soms escaleert het en moet je opschalen, daarna stabiliseert het weer. Dat is inhoudelijk precies wat je wil: doen wat nodig is op het moment dat het nodig is.” Daar past een etmaal als financieringseenheid niet goed bij. “Een etmaal klinkt overzichtelijk, maar het zegt weinig over de feitelijke inzet. Tegelijk wil je niet in de verkramping schieten met een systeem waarin je per uur moet verantwoorden, want dat levert veel administratie op en het gesprek gaat dan vooral over geld.”

De les is volgens hem daarom breder. “Niet alleen de vraag of de KPI passend was, doet er toe, maar ook of de financieringsvorm past bij de dynamiek van de hulp. Als je leert van wat er in TOM gebeurde, kun je ook beter bepalen welke bekostiging daarbij hoort. Niet simpelweg prijs keer etmalen voor een vaste periode, maar een vorm die meebeweegt met opschalen en afschalen, met duidelijke afspraken over doelen en met ruimte om uitzonderlijke pieken goed te organiseren.”

Hoe nu verder?

Wat blijft is het streven om instroom naar verblijf te beperken. “Niet alleen omdat verblijf duur is, maar ook omdat jeugdigen er lang niet altijd van opknappen. We moeten door. Alleen slimmer.” Dat betekent volgens Andres drie dingen. “Ten eerste: scherper organiseren aan de voorkant, zodat ieder traject start met dezelfde basis en het leren structureel wordt. Ten tweede: beter zicht tijdens het traject, zodat bijsturen normaal wordt en niet iets is voor achteraf. Ten derde: een bekostiging kiezen die past bij de werkelijkheid van deze inzet, met zo min mogelijk administratie, maar wel voldoende vertrouwen en grip.

Hij sluit af met dezelfde houding waarmee TOM ooit begon. “Nieuwe dingen proberen betekent dat het soms tegenvalt. Maar als we dat niet accepteren, durft straks niemand meer te vernieuwen. Wie niks doet, kan ook niks verkeerd doen. Maar dan verandert er ook niks.”